Min of meer bolvormige uitwas in het hout, dus niet enkel afkomstig van wortels, kan ook van een uitwas op de stam afkomstig zijn. De verweven en geknoopte …
Min of meer bolvormige uitwas in het hout, dus niet enkel afkomstig van wortels, kan ook van een uitwas op de stam afkomstig zijn. De verweven en geknoopte …
Horizontaal element dat boven een opening wordt geplaatst. Het heeft tot doel de lasten boven de opening op te vangen en over de schoren te verdelen.
Wordt gezegd van schimmels die zich met hout voeden.
Eén van de belangrijkste bestanddelen van de celwanden van hout.
Kenmerkend voor weefsels waarvan de wanden geïmpregneerd zijn met lignine (houtstof) waardoor ze een bepaalde hardheid vertonen.
Niet-filmvormend afwerkingsproduct waarbij de houtaders en de houtnerf zichtbaar blijven.
Heel lange balken bestaande uit samengekleefde, houten lamellen. Deze plankjes worden op de twee breedste zijden bestreken met lijm en in een speciale pers samengevoegd.
Houten wandbekleding die wordt aangebracht op muren of plafonds.
Geeft de verhouding weer van de hoeveelheid waterdamp in de lucht ten opzichte van de maximale hoeveelheid waterdamp bij bepaalde druk- en temperatuuromstandigheden.
Vochtgehalte waarbij hout geen water meer opneemt of afgeeft aan een bepaalde omgeving (bepaalde temperatuur en relatieve luchtvochtigheid).
Ook “vochtgehalte van het hout” genoemd. Stemt overeen met de vochtmassa die in het hout opgeslagen is, uitgedrukt in het percentage watervrije massa.
Bovenste deel van de boom, dat de takken, twijgen en eventueel een deel van de stam omvat.
Gevelde, gesnoeide, ongeschilde boomstam.
Visuele indruk gewekt door, naargelang het geval, de dikte van de zichtbare elementen van het hout (loofhout) of de breedte en de regelmatigheid van de ringen (naaldhout): fijne …
Fysisch verschijnsel waarbij de afmetingen van een houten onderdeel toenemen ten gevolge van een stijging van de vochtigheidsgraad onder het verzadigingspunt van de vezels.
Scheur die door klassiek schaven zou moeten verdwijnen en minder dan ongeveer 2 mm diep is.
Korte, dunne, ondiepe scheur ten gevolge van de droging.
Radiale scheur die in de boom ontstaat door vorst en die vanuit het spint naar het merg toeloopt. De barst is aanzienlijk in longitudinale zin (gaat gepaard met …
Bos waarin bomen met grote afmetingen uitgebaat worden.
Gevierschaald, rechthoekig gezaagd langshout met een dikte van 27 mm en een breedte die varieert van 50 tot 90 mm, opgaand per 10 mm. De loten bestaan uit …
1.In de buurt van de hoeken van een gevierschaald of gezaagd stuk hout, rest van het oppervlak van het rondhout waar het stuk vandaan komt. Blijft over na …
Geneigdheid van het hout om te scheuren in de richting van de draad.
Spiraalvormig verloop van de draad rond het merg.
Draad in de vorm van redelijk uniforme golven of rimpels.
Algemene richting van de lengte-elementen van het hout (vezels, tracheïden).